De zorgen over het sociaal-emotionele welzijn van leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn de afgelopen jaren toegenomen. De media berichten voortdurend, zelfs na de covid-19 pandemie, dat het niet goed gaat met jongeren. De adolescentie is een kritieke ontwikkelingsfase waarin jongeren meer gelijkwaardige sociale relaties nastreven. Een aanzienlijk deel daarvan wordt gevormd binnen de schoolomgeving. Die kan worden gezien als een mini-maatschappij en worden gebruikt als veilige oefenplaats voor de ‘echte’ maatschappij.
NRO-leidraadAanbevelingen uit de leidraad:
|
De leraar speelt als rolmodel een cruciale rol in de persoonlijke ontwikkeling en de leerontwikkeling van leerlingen. Een positieve relatie tussen leraar en leerling bevordert motivatie, betrokkenheid en schoolprestaties, en beschermt tegen problemen zoals stress, spijbelen en schooluitval. Een negatieve relatie kan juist het mentale welzijn schaden.
Op basis van vragenlijsten van de OnderwijsMonitor Limburg (OML) hebben we onderzocht hoe deze sociale relatie zich heeft ontwikkeld in de afgelopen tien jaar. In deze monitor geven Limburgse leerlingen in leerjaar drie van het voortgezet onderwijs aan hoe zij de sociale relatie met de gemiddelde leraar ervaren.
We onderscheiden in ons onderzoek drie fases: vóór, tijdens en na covid-19. Tijdens de pandemie waren er drie langdurige schoolsluitingen, waardoor jongeren niet normaal naar school konden gaan. Daarnaast beperkten maatregelen als de sluiting van uitgaansgelegenheden, het verbod op sociale bijeenkomsten en de avondklok het sociale leven van jongeren, terwijl zij juist sociale contacten nodig hebben voor hun algemene ontwikkeling.
Ons onderzoek laat zien dat de sociale relatie tussen leerlingen en leraren de afgelopen jaren is verslechterd. Daarbij is rekening gehouden met factoren als geslacht, leeftijd, onderwijstype en het opleidingsniveau van de ouders. Vóór de pandemie was de relatie stabiel, al zagen we in het laatste jaar vóór de pandemie (2018) een eerste verslechtering.
Door de schoolsluitingen konden we tijdens de pandemie niet meten op het gebruikelijke moment, maar wel op twee andere tijdstippen. In juni 2020, vlak na de eerste heropening van scholen, zagen we een kleine opleving. Het zou kunnen dat zowel leerlingen als leraren het toen fijn vonden om elkaar weer in de klas te zien, in plaats van achter de computer. Leraren gaven ook aan dat ze meer aandacht besteedden aan hoe het met hun leerlingen ging, soms ondersteund door programma’s van het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs) van de Rijksoverheid, bedoeld om de door covid-19 opgedane leervertragingen en het verminderde welbevinden van leerlingen en studenten te verbeteren. Daarentegen zien we juist in september 2020, na de zomervakantie, een sterke verslechtering van de sociale relatie met de leraar.
OnderwijsMonitor Limburg (OML)De data van het onderzoek zijn afkomstig uit de OnderwijsMonitor Limburg (OML). Deze monitor maakt deel uit van een lopend onderwijskennisnetwerk dat regionale besturen van het primair en voortgezet onderwijs en de Universiteit Maastricht in 2009 hebben opgezet. Doel van dit netwerk is evidence-informed besluitvorming in het onderwijs te ondersteunen. |
Na de pandemie, in 2022, was opnieuw een kleine opleving zichtbaar. Dit was wederom na een lockdown-periode. Deze opleving gaf goede hoop voor de toekomst. De aanname was namelijk dat na de covid-19 pandemie de sociale relatie tussen leraar en leerling zou herstellen. Er waren immers geen schoolsluitingen meer en de maatschappij was weer terug naar normaal. Toch blijkt uit de meest recente meting in 2024 dat het niveau nog steeds significant lager ligt dan vóór de pandemie. De sociale relatie lijkt dus niet te herstellen maar het negatieve patroon van de jaren vóór covid-19 te volgen.
In de aanvullende analyses zien we dat jongens gemiddeld een betere sociale relatie met hun leraren ervaren dan meisjes. De verslechtering van de sociale relatie is ook het sterkst bij meisjes, mogelijk omdat zij over het algemeen gewend zijn meer emotionele steun van hun omgeving te krijgen.
Op basis van dit onderzoek kunnen we geen harde conclusies trekken over de oorzaken van de verslechtering van de sociale relatie. We concluderen wel dat de covid-19-pandemie niet de enige verklaring is, omdat de verslechtering al vóór de pandemie inzette en geruime tijd daarna nog voortduurt. Deze ontwikkeling is zorgwekkend, maar biedt ook aanknopingspunten. Het is opvallend dat de relatie tijdelijk verbeterde in periodes direct na lockdowns. Deze oplevingen zouden een weerspiegeling kunnen zijn van de extra investering van leraren in de sociale relatie, wellicht ondersteund door NPO-programma’s gericht op het welzijn van leerlingen. Investeren in de leerling-leraar relatie is essentieel. De recent uitgebracht NRO-leidraad (zie kader) biedt hiervoor handvatten. Zo kunnen we leerlingen optimaal ondersteunen en beter begrijpen wat er werkelijk met hen aan de hand is.

Jacqueline Charpentier is promovendus aan de Universiteit Maastricht (UM). Haar onderzoek richt zich op de aansluiting tussen het vo en het hoger onderwijs om te begrijpen hoe deze overgang voor studenten beter gefaciliteerd kan worden.

Prof. dr. Trudie Schils is hoogleraar onderwijseconomie aan de UM, raadslid van de Onderwijsraad, en wetenschappelijk directeur van de OnderwijsMonitor Limburg.

Dr. Ellen Bastiaens is directeur van EDLAB, dat zich inzet voor versterking van het onderwijs van de Universiteit Maastricht en het bevorderen van onderwijsinnovatie.
En blijf op de hoogte van onderwijsnieuws en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen!
Inschrijven