‘Worden wie je bent’, ‘Ieder talent telt’, ‘Oefenplaats voor de samenleving’; op vrijwel elke schoolwebsite staan tegenwoordig prachtige uitspraken. Ook de wettelijke opdracht van het onderwijs is breed en betrokken geformuleerd: ‘Het [onderwijs] wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen’, het ‘richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden’. Het zijn stuk voor stuk fraaie uitgangspunten. Het leven en de wereld worden een stuk mooier als we dit daadwerkelijk in de praktijk zouden brengen.
Toetssysteem maakt blind voor werkelijke opdracht
In de praktijk doen we in het onderwijs echter iets dat hier haaks op staat. Met de doorstroomtoets in zicht verliezen we onze beloften aan het kind en de wettelijke opdracht uit het oog en komen we terecht in de onderwijsfuik. We zijn de brede opdracht voor het onderwijs steeds smaller gaan toepassen.
De wettelijke opdracht aan scholen is nog zeer breed. Die opdracht is vertaald in een groot aantal nog steeds breed geformuleerde kerndoelen (52 kerndoelen en in het Friese taalgebied zelfs 58 kerndoelen). De basisvaardigheden – die slechts een beleidskader vormen – omvatten enkel taal, rekenen, digitale geletterdheid en burgerschap. Nog smaller zijn de referentieniveaus die enkel bestaan uit wat kinderen aan het eind van groep 8 worden geacht te kennen en kunnen op het gebied van taal en rekenen – nog maar een heel smal deel van de wettelijke opdracht dus. Ook al zijn ze steeds concreter geformuleerd, ze zijn nog steeds relatief breed en omvatten naast lezen en taalverzorging ook mondelinge taalvaardigheid en schrijven.
Maar dan komt de echte fuik. In de praktijk van het primair onderwijs (po) beperken we de opbrengsten, de leerresultaten en de definitie van kwaliteit enkel tot de resultaten op de toetsen van het leerlingvolgsysteem (LVS) en de doorstroomtoets. Die omvatten slechts een minuscuul deel van de werkelijke opdracht.
Als onderwijsveld en als samenleving zijn we echter groot belang gaan hechten aan de uitkomsten van deze toetsen: voor de leerling bepalen ze diens toekomst (hoor ik bij de ‘hogeren’ of de ‘lageren’); voor de school zijn ze doorslaggevend in het verkrijgen van een positief of negatief oordeel van de Inspectie. Dat is hoofdzakelijk omdat we graag eenduidige toetsresultaten willen die gemakkelijk zijn te verwerken en eenvoudig in een dashboard weer te geven.
Leiders en beleidsmakers gebruiken dat dashboard als input om te sturen: als het dashboard rood kleurt, gaat het niet goed en moeten we actie ondernemen. Kleurt het groen, dan gaat het goed. Althans, zo denken we. Want de vraag of de juiste zaken op het dashboard staan, wordt maar weinig gesteld.
Goed/foutvragenHet huidige toetssysteem is ontstaan door de opkomst van toetsen die een computer kan lezen. Met deze toetsen kun je tegen geringe kosten zeer veel kinderen tegelijkertijd beoordelen, zonder bias over iemands naam of achtergrond. Destijds waren de computers nog eenvoudige ponskaartmachines en ze konden dus enkel een 1 of 0 als uitkomst lezen. Daardoor kunnen de toetsen enkel bestaan uit goed/fout- of multiple choice-vragen. Mondelinge taalvaardigheid en schrijven vallen dan af. Vragen als ‘Waar staat het signaalwoord?’ zijn daarmee juist in de toetsen opgenomen, want die kunnen eenduidig goed of fout worden beantwoord. Maar nergens in de wet, de kerndoelen of de referentieniveaus staat dat het juist kunnen duiden van het signaalwoord in een zin – of zelfs het kennen van het begrip signaalwoord – doel van onderwijs is. |
Het is belangrijk om je te realiseren dat er verschillende redenen zijn om te toetsen. Een toets kan in principe maar voor één functie worden gemaakt en gebruikt. Het is al ingewikkeld om daar een goed functionerende toets voor te maken. Ons huidige toetssysteem combineert functies en dat is zeer problematisch, zo stelden we eerder in Toetsfuncties onder de loep in Didactief van december 2024.
De eerste functie is feedback. De meeste professionals gebruiken toetsen om te weten waar een kind staat ten opzichte van het afgesproken curriculum en wat de voortgang in diens ontwikkeling is. Dit is de feedbackfunctie van toetsing. Hiervoor zijn toetsen geschikt die in absolute zin kunnen vaststellen of een stap in de ontwikkeling is behaald of (nog) niet. Deze criteriumgerichte toetsen zijn te vergelijken met het tafeldiploma (Beheerst dit kind de tafels van vermenigvuldiging of nog niet?) of het zwemdiploma (Heeft dit kind laten zien dat het veilig 50 meter kan zwemmen?).
De tweede functie is indelen op niveau. Ons onderwijssysteem is gebouwd op het geloof dat er in de samenleving ‘hogere’ en ‘lagere’ posities zijn. De hogere zijn voor de leiders, de lagere zijn voor de volgers. Voor de hogere functies moet je vooral theoretisch geschoold zijn, voor de lagere meer praktisch. Vandaag de dag kunnen we ons hardop afvragen of dit nog wel zo geldt – maar omdat we ‘nou eenmaal’ deze indeling in de samenleving hanteerden, is een belangrijke functie van het onderwijs om de kinderen toe te wijzen aan de ‘juiste’ niveaus; dit noemen we selectie of allocatie.
Ons toetssysteem is ontwikkeld om aan deze functie te kunnen voldoen: degenen die de meeste vragen goed hebben beantwoord gaan naar het vwo. Zij die meer fouten hebben gemaakt, komen een of meerdere treetjes lager (havo, vmbo) met als laagst mogelijke advies het praktijkonderwijs.
Er bestaan geen andere selectiecriteria voor het toekennen van een niveau-advies dan hoe hoog kinderen scoren ten opzichte van de landelijke normgroep, die is gebaseerd op het landelijk gemiddelde. Voor de LVS-toetsen geldt dat net zo; deze werken met behulp van de A-E of I-V indeling en daarmee werken scholen (vaak onbewust) al vanaf groep 3 aan de voorsortering van de kinderen.
Verantwoording is de derde functie van toetsen. De Inspectie gebruikt toetsen momenteel eveneens als belangrijkste indicator voor de kwaliteit van een school. Daar zijn ze echter niet voor ontwikkeld.
Dit toetssysteem maakt ons blind voor de werkelijke opdracht. Het lijkt wel een afvalrace. Het is een steeds smaller wordende fuik. Alleen wat meetbaar is en op de resultatendashboards staat, telt mee. Dat is niet in lijn met wat we met elkaar hebben afgesproken en wat scholen op hun websites beloven.
We moeten dan ook met z’n allen als onderwijssysteem de naar elkaar toe bewegende pijlen (zie afbeelding) omdraaien, zodat we de volledige opdracht van het onderwijs weer in beeld krijgen. 26 januari 2026, de dag dat de doorstroomtoetsperiode begint, markeren we daarom als datum van de ommekeer. Dan houden we de ‘Samen uit de fuik fuif’, waarmee we vieren dat we met zovelen bezig zijn om de pijlen om te draaien. Dit vergt een grote gezamenlijke inspanning en het collectieve geloof dat we hier samen uit kunnen komen.

Claire Boonstra is oprichter van Stichting Operation Education, een onafhankelijke non-profit organisatie die werkt aan de transformatie van het onderwijssysteem.
En blijf op de hoogte van onderwijsnieuws en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen!
Inschrijven