Balans zoek tussen leraren en adviseurs

Tekst Helma Gommans-Jeurninck
Gepubliceerd op 19-01-2026
Onderwijsadviseurs leveren nuttig werk, maar dat geldt zeker niet voor allemaal, betoogt leerkracht in het basisonderwijs Helma Gommans-Jeurninck. Ze spreekt van een overload aan adviseurs en pleit voor een betere balans tussen leerkrachten die voor de klas staan en deskundigen die dat niet doen.

Het onderwijs was tot in de jaren ’90 van de leerkracht. Die bepaalde wat er in de klas gebeurde. Dit had een keerzijde voor kinderen die extra zorg nodig hadden en het stond onderwijsvernieuwingen in de weg. Ruim een kwart eeuw later staat de deur van het lokaal ver open en zijn er volop experts aanwezig die de leerkracht ondersteunen en meehelpen om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Dit klinkt mooi maar het heeft óók een keerzijde en als je kijkt naar de resultaten in het onderwijs is het ook niet altijd effectief. 

De leerdriehoek van Stevens, met de pijlers autonomie, competentie en relatie, wordt vaak als uitgangspunt genomen voor het leren van kinderen. Ik denk dat deze leerdriehoek voor iedereen geldt, ook voor leerkrachten. Ik neem deze driehoek (vrij ingevuld) daarom als uitgangspunt voor dit artikel. 

Kennis van de praktijk?

Leerkrachten hebben vaak geen tijd om aan gesprekstafels aan te schuiven. Lesgeven is een intensieve baan die tijd en aandacht vraagt. Adviseurs hebben deze tijd en ruimte wel. Daarom is hun stem meer hoorbaar. Is er op deze manier een goede balans tussen theoretische en ervaringskennis? Vaak zegt de adviseur: ‘Ik weet waar ik over praat want ik heb ook voor de klas gestaan.’ Maar kent de adviseur echt de dagelijkse praktijk?

Autonomie

De leerkracht moet binnen ruime kaders van de school autonoom kunnen handelen. Maar de autonomie wordt steeds meer bij leerkrachten weggenomen. Kun je kinderen autonomie geven als je zelf geen autonomie krijgt? Om elke leerkracht staan deskundigen heen, binnen en buiten de school: intern begeleiders, ambulant begeleiders, kwaliteitszorgmanagers, didactische, pedagogische en onderwijskundige coaches, vakspecialisten, onderwijskundigen, pedagogen, kindercoaches, speltherapeuten, logopedisten, ergotherapeuten en sensomotorisch specialisten. Iedereen geeft een eigen advies en de leerkracht mag dat uitvoeren én is verantwoordelijk. 

Iedereen mag iets van de leerkracht vinden, ook al zijn niet alle (advies)beroepen beschermd; iedereen mag zich bijvoorbeeld kindercoach of hoogbegaafdheidspecialist noemen. Niet elke specialist uit een erkende beroepsgroep heeft een specialisatie op het gebied waarop hij adviseert. Specialisten praten vaak vanuit de specialisatie waarvoor ze zijn ingehuurd. Een kind is echter niet alleen taal, gedrag of motoriek. Alles hangt samen voor het kind als individu, maar ook voor het kind in de groep. De leerkracht ziet dit geheel. 

Sommige adviseurs denken ook buiten hun vakgebied te kunnen spreken maar dat is niet altijd effectief. Zo zijn er ergotherapeuten die na een korte observatie hoogbegaafdheid vaststellen, of logopedisten die adviseren over doubleren op school. Er zijn specialisten die adviseren om de hele groep aan de slag te laten gaan met de voorspelbaarheid, terwijl de volgende expert juist vertelt dat verwonderen, afwijken van het patroon, bij de meeste kinderen bijdraagt aan leren. Prikkelverwerkingsdeskundigen adviseren kinderen in een deken te wikkelen of buiten te laten schommelen. Dit zijn een paar van de tientallen voorbeelden die naar voren zijn gekomen in gesprekken met collega’s. 

Competentie

Iedereen die van de pabo komt is (start)bekwaam. Startende leerkrachten zijn niet incompetent, maar ze zijn nog ervaring aan het opbouwen, net zoals starters in andere beroepen. We moeten ons afvragen waarom dat jaren geleden meer geaccepteerd werd. Waarom vertrouwden we toen leerkrachten meteen (terecht of onterecht) en doen we dat nu niet meer? 

Leerkrachten zijn opgeleid op het hbo, maar toch worden ze indirect opgeroepen om te stoppen met zelf denken en zich over te geven aan adviseurs die alles beter weten. Ze krijgen advies voor een korte tijd want net als elke mode, verandert ook de onderwijsmode. Vaak heeft een nieuwe hype als toevoeging: ‘dat blijkt uit onderzoek’. Als je een beetje zoekt, blijkt het tegenovergestelde vaak ook in onderzoek te zijn aangetoond. 

Waarom worden we enthousiast van ‘coachen op de millimeter’, waarbij weinig ruimte is voor de ervaring die de leerkracht meebrengt? In mijn visie ontwikkel je onderwijs in de klas en samen met collega’s; niet op een kantoor met een nieuw protocol of ander document. 

Leerkrachten worden incompetent gemaakt. Aangeleerde hulpeloosheid is het resultaat. Verscheidenheid in een team, in opleiding en ervaring, is een kracht. Het weerspiegelt de verscheidenheid in de klas. Er wordt van de leerkracht terecht gevraagd om te gaan met diversiteit (burgerschap) en te differentiëren in het lesaanbod. Zou het niet logisch zijn als adviseurs zo ook naar een leerkrachtenteam kijken? 

Relatie

Leerkrachten investeren in de relatie met de kinderen en hun ouders en met collega’s. Alle andere mensen in het onderwijs moeten hierbij ondersteunen, maar geen extra ballast zijn. Nu vragen al die adviseurs veel tijd van de leerkracht, tijd die hij niet meer kan besteden aan lesvoorbereiding. De relatie is vaak niet gelijkwaardig. De adviseur stelt zich als kennisbrenger boven de leerkracht en ziet praktijkervaring niet altijd als net zo zinvol. 

Als leerkracht moet je samen met de ouders zorgen voor een goede ontwikkeling van het kind. In uitzonderlijke situaties kunnen ouders en leerkrachten dat niet alleen. Het is fijn als er dan specialistische hulp komt om samen met ouders en de leerkracht te onderzoeken welke ondersteuning zinvol is. Nu is de uitzondering bijna de standaard geworden. Adviseurs gaan tussen de ouders en de school staan en geven adviezen over lesgeven in de klas zonder overleg met de leerkracht. Daardoor wordt de leerkracht in het defensief gedrongen.

Er zijn te veel professionals die náást de klas werken in plaats van ín de klas. Als iedereen met een onderwijsbevoegdheid ging lesgeven, hadden we waarschijnlijk geen leerkrachtentekort meer. Toch kiezen veel mensen ervoor naast de klas te werken. Ik zag het ook ooit als een logische stap. Terugkijkend denk ik dat de drijfveren zijn: status, autonomie, rust, tijd voor verdieping en de mogelijkheid om aan te sluiten bij interessante gesprekken. Iedereen lijkt meer te weten dan de leerkracht, waarom zou je dan leerkracht willen blijven? Toen ik na een flink aantal jaren weer voor de klas ging staan, kostte dat me moeite en leverde het me niet de automatische waardering en status op die ik als adviseur kreeg – maar wel veel voldoening en werkplezier.

Door al die adviseurs verdwijnt veel onderwijsgeld voor het in de klas komt. Er zijn goede adviseurs en daar hebben we baat bij, maar de overload is te groot. Hoe klein zouden de klassen zijn als al het geld voor onderwijs naar de klas ging? Hoeveel problemen worden automatisch opgelost als de groepen kleiner zijn? Klassenmanagement en differentiatie zijn in een kleine groep eenvoudiger en minder gesprekken en leerlingendossiers verlagen de werkdruk. 

Mijn primaire gedachte is om een onderzoek naar het geschetste probleem te starten. Probleem is echter dat een onderzoek door een adviseur zelden oplevert dat er minder werk komt voor een adviseur. Ik denk daarom dat we vanuit de praktijk samen tot verbeterpunten moeten komen. 

Helma Gommans-Jeurninck is leerkracht op een basisschool.

Contact met de redactie: contactpagina

Click here to revoke the Cookie consent