Kindertekeningen en hoogbegaafdheid

Tekst Sven Mathijssen en Max Feltzer
Gepubliceerd op 27-11-2018
​Kindertekeningen worden al zo’n 100 jaar gebruikt om iets te zeggen over de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen, maar wetenschappers zijn niet onverdeeld positief over de kindertekening als instrument. Toch blijven professionals in de onderwijspraktijk en de hulpverlening tekeningen gebruiken om uitspraken te kunnen doen over kinderen. Hoe tekeningen kunnen bijdragen aan de signalering van hoogbegaafde kinderen is echter een relatief nieuw terrein.

Hoogbegaafd zijn niet alleen de kinderen die zich netjes gedragen, goed presteren en een hoge intelligentie hebben. ‘De’ hoogbegaafde bestaat niet en een definitie waar iedereen zich in kan vinden ontbreekt. Of hoogbegaafdheid überhaupt tot uiting komt in prestaties is afhankelijk van persoons- en omgevingsfactoren. Onderzoekers benadrukken daarom de behoefte aan alternatieve signaleringsmethoden bij psychologisch onderzoek. Het inzetten van tekeningen als signaleringsmiddel voor hoogbegaafdheid kan mogelijk uitkomst bieden.

 

Menstekeningen: wat weten we?

Menstekeningen worden al een eeuw lang onderzocht. In de wetenschappelijke wereld lijken er inmiddels twee kampen te bestaan: het ene ziet mogelijkheden en kansen in de analyse van menstekeningen en het andere raadt het gebruik ervan sterk af. De sceptici beroepen zich met name op de lage ‘validiteit’: menstekeningen meten als test niet of nauwelijks waarvoor ze bedoeld zijn. Wetenschappelijk onderzoek naar menstekeningen vindt nog maar weinig plaats, waardoor de bevindingen vaak verouderd zijn. Desondanks worden tekeningen nog altijd veel gebruikt om iets te zeggen over een kind, in het onderwijs en in psychologisch onderzoek.

In de praktijk wordt vaak gekeken naar welke kenmerken een kind tekent en hoe deze zijn getekend en of dit opvallend is ten opzichte van de tekeningen van leeftijdgenoten. In de wetenschappelijke onderzoeken die zijn gedaan, worden de getekende kenmerken omgezet in scores om uitspraken te kunnen doen over de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Het gaat bij praktijk en wetenschap dus om respectievelijk kwalitatief (beschrijvend) en kwantitatief (cijfermatig) analyseren.

Elizabeth Koppitz beschreef en analyseerde in de jaren zestig van de vorige eeuw menstekeningen van ruim 1.800 kinderen van 5 tot en met 12 jaar oud en ontwikkelde een instrument waarmee ze onderscheid maakte tussen kenmerken die vaak voorkwamen op een bepaalde leeftijd (‘expected items’) en kenmerken die bijzonder waren (‘exceptional items’). Hoewel ook zij een score berekende, sloeg zij met haar instrument een brug tussen een kwalitatieve en kwantitatieve analyse. Nadeel van haar methode is dat zij mogelijk niet past bij de manier waarop kinderen tegenwoordig tekenen. Daarnaast is de vraag of haar bevindingen ook gelden voor hoogbegaafde kinderen. Onze stelling is dat hoogbegaafde kinderen weleens meer ‘bijzonder’ zouden kunnen tekenen dan hun niet-hoogbegaafde leeftijdgenoten.

 

Normaal en bijzonder

Om te achterhalen wat bijzonder is aan menstekeningen van kinderen van nu is het van belang om eerst na te gaan wat zij normaliter tekenen.

In de praktijk passen kinderen, óók op het gebied van tekenen, zich aan, al kort nadat zij voor het eerst naar school gaan. Om die reden is een promotietraject gestart, waarbij wij in een reeks van onderzoeken tekeningen van jonge kinderen onderzoeken*. Op dit moment wordt nader onderzoek gedaan in de NRO onderzoekswerkplaats ‘Passend Onderwijs voor Ieder Nieuw Talent’ (POINT, www.point013.nl), waar tekeningen van ruim 200 kinderen van 4 tot en met 6 jaar oud zijn verzameld, afkomstig van scholen in de regio Tilburg. Twee onderzoekers analyseerden ze blind en onafhankelijk van elkaar, dat wil zeggen zonder dat ze de leeftijd en het geslacht van het kind kenden en zonder hun bevindingen met elkaar te vergelijken of er tussentijds over te discussiëren.

Uit dit onderzoek komt naar voren dat met name grove kenmerken die een getekende figuur menselijk maken – zoals een hoofd met gezichtskenmerken en een romp met ledematen – normaliter in tekeningen van kinderen van deze leeftijd voorkomen,  volgens de beschrijvende analyse van Elizabeth Koppitz. Aanvullende details in kenmerken in het gezicht (zoals bijvoorbeeld wimpers of een iris) of kenmerken aanvullend op de mensfiguur (zoals opdruk op kleding, voorwerpen of dieren) kwamen weinig voor. Ook het correcte aantal tenen en vingers kwam weinig voor en deze als geheel getekend met respectievelijk de voeten en handen. 

Het is te kort door de bocht om te stellen dat de kenmerken die weinig werden getekend ‘exceptioneel’ zijn en kunnen duiden op hoogbegaafdheid; de deelnemende kinderen volgen allemaal regulier onderwijs en van hen is niet bekend (of zeker) of zij een ontwikkelingsvoorsprong hebben – of niet. Wel worden deze kinderen gevolgd in hun schoolverloop om zo over enkele jaren na te kunnen gaan of een bijzonderheid in tekeningen een voorspeller kan zijn van een ontwikkelingsvoorsprong. Op de lange termijn kunnen we mogelijk specifieke of bijzondere kenmerken in tekeningen aanwijzen die duiden op een ontwikkelingsvoorsprong van jonge kinderen. Het onderzoek in de POINT-werkplaats loopt nog heel komend schooljaar.

 

*Het uiteindelijke doel van het promotieonderzoek is een screeningsinstrument voor de analyse van menstekeningen te ontwikkelen. Dit kan hopelijk helpen een eerste aanwijzing te krijgen dat leerlingen andere begeleiding of ondersteuning nodig hebben in het onderwijs dan waarin het reguliere curriculum voorziet. Momenteel wordt een aantal hoogbegaafde kinderen pas gesignaleerd als zij zich gaan vervelen, uitdaging vermijden of opstandig gedrag vertonen. Sommigen worden helemaal niet gesignaleerd, doordat zij zich volledig aanpassen. Uiteraard gaat een screening middels een tekening geen uitgebreid en volledig psychologisch onderzoek vervangen. Het kan echter wel inzicht bieden in welke kinderen in de gaten gehouden moeten worden voordat het mis gaat.

Sven Mathijssen is ontwikkelingspsycholoog bij het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek in Nijmegen. Daarnaast is hij docent bij twee opleidingen van het RadboudCSW (Radboud Universiteit): de opleiding tot Specialist in Gifted Education (ECHA) en de Radboud International Training on High Ability (RITHA). Naast zijn werkzaamheden is Sven externe promovendus bij Tilburg University en doet hij onderzoek naar tekeningen van hoogbegaafde kinderen.

Max Feltzer is ontwikkelingspsycholoog, onderzoeker en docent aan Tilburg University. Hij heeft meer dan 40 jaar ervaring op het gebied van kindertekeningen, cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Na zijn pensioen is hij bij verschillende onderzoeksprojecten betrokken gebleven, waaronder POINT.

 

Verder lezen

1 Hoogbegaafdheid
2 Hoogbegaafd of niet?

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent