Op bezoek bij Agora

Tekst Martijn Sytsma
Gepubliceerd op 21-03-2017
Martijn Sytsma - Een tijdje terug schreef ik een blog over het verhaal van Sjef Drummen, één van de oprichters van Agora. Korte samenvatting: de visie op onderwijs van Sjef spreekt me (grotendeels) aan, de manier waarop hij zijn visie brengt een stuk minder.

Martijn SytsmaMijn blog werd gelezen door Guido van de Veranderbrigade, die me uitnodigde om eens te komen kijken. Prima! Ik kijk graag over de grenzen van mijn eigen school heen. Hier, een beetje onsamenhangend wellicht want pas na twee weken geschreven, mijn blog over dat bezoek.

De Limburgse vlaai waar we mee ontvangen worden is alvast lekker. ‘We’, want er zijn naar schatting zo’n 60 mensen die het middagprogramma bij Agora gaan volgen. Sjef trapt af met het verhaal van Agora. Daarbij is het toch echt nodig om alle het onderwijs zoals wij dat kennen én bijbehorende leerkrachten tot de grond toe af te branden. Zo zijn er bij het bedenken van Agora geen leraren betrokken, want “anders werd het weer niks”. En 70 procent van het onderwijs is niet gericht op de ontwikkeling van leerlingen. Maar goed, dat de manier van Sjef om zijn boodschap te brengen mij niet helemaal lekker ligt, dat was al duidelijk. Uiteindelijk vind ik het gewoon erg interessant om eens buiten de gebaande paden te kijken. Al moet ik daar een beetje voor door de retoriek heen luisteren. Ik ben gewoon benieuwd hoe ze het met Agora voor elkaar hebben gekregen om het (vooruit dan maar) traditionele onderwijs los te laten en alles op de kop te gooien.

Want dat is hoe Agora is ontwikkeld. Alles wat de ontwikkelaars wisten van onderwijs hebben ze losgelaten. Het waarom daarvan is Sjef nogal duidelijk over. Het huidig onderwijs voldeed in de 19e eeuw nog wel, maar is nu te duur, wordt verziekt door de politiek, zorgt voor lage motivatie en ook nog eens voor segregatie. Oh ja, en leraren als collectief zijn slaafse sukkels. Door vanaf scratch te beginnen is daardoor de school niet vernieuwd, maar er is een alternatief bestel bedacht. Geen school, maar een ‘learning society’.

(Dit zijn overigens geen nieuwe geluiden. In heel onderwijsland is er felle kritiek op bijvoorbeeld de lumpsum en de rekentoets. Segregatie is een erkend probleem. En in het Alternatief (Kneyber & Evers, 2015,) werden leraren al vrijwillige slaven genoemd.)

Het uitgangspunt van Agora is dat er “alleen maar gedaan wordt wat goed is voor de ontwikkeling van kinderen”. Daarbij is het belangrijk dát kinderen leren, niet wát ze leren. Niet weten is belangrijker dan het weten. Op Agora vertrekken leerlingen daarom ook uit hun eigen nieuwsgierigheid en leervragen. Ze worden daar wel enigszins bij gestuurd. Er wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van vijf werelden (spiritueel, sociaal, maatschappelijk, artistiek en wetenschappelijk) om richting te geven aan de vragen.

Het vertrouwen in het kunnen van de leerlingen is enorm groot. Op Agora zitten alle rangen, standen en niveaus door elkaar heen. Iedereen volgt zijn eigen vragen, en daarmee een eigen leerroute. Dat kun je als leraar niet beheersen en dat moet je ook niet willen beheersen. De rol van de leraar is niet om leerlingen iets te leren, alleen om het leren aan te wakkeren. Dat leren mag ook buiten school. Leerlingen zijn regelmatig buiten de school te vinden, maar de school maakt ook slim gebruik van de kennis van ouders. Van elke ouder wordt twee dagdelen in het jaar iets verwacht, bijvoorbeeld in de vorm van een workshop.

Dit alles gebeurt in (en om) een school die, eerlijk is eerlijk, niet overal heel erg op een school lijkt. De thuisbasis van de leerlingen van Agora ziet er fantastisch uit. De leerlingen hebben in een open ruimte hun eigen werkplek gemaakt. Dat levert een behoorlijk bonte verzameling op. Er zijn twee leerlingen die van een stapelbed hun werkplek hebben gemaakt. Bovenin lezen, beneden een bureau.
De ruimte die leerlingen hebben, zorgt er in eerste instantie voor dat ze vooral zoveel mogelijk leuke dingen doen. Maar daar worden ze na zo’n anderhalf, twee jaar echt wel flauw van. Dat is het moment dat de coaches vragen “maar wat vind je dan belangrijk”. Vanaf dan gaan leerlingen zich meer richten op de toekomst, en dus ook het nog steeds noodzakelijke examen. Een programma van toetsing en afsluiting is er echter niet. Sjef is ervan overtuigd: Als een goede leerkracht af en toe een kwartier met een leerling praat, is het echt wel duidelijk welk cijfer die leerling voor zijn schoolexamen moet krijgen.

Twijfels

Het concept van Agora spreekt me aan. Het grote vertrouwen in leerlingen. De overtuiging dat je leerlingen vanuit pedagogisch oogpunt ongelijk moet behandelen. Het gebrek aan repressie. De erkenning van het belang van nieuwsgierigheid voor het leren. En toegegeven, Sjef weet een verhaal te brengen. De twijfels zijn bij mij echter niet weggenomen. Daarvoor wordt er af en toe teveel in de wetenschap geshopt en schemeren er behoorlijk wat mythes door het verhaal heen. Bijvoorbeeld over de digital native (“Leraren weten niet meer wat een leerling nodig heeft”), over Finland (ze schaffen daar de vakken niet af!!!) en over de verschillen tussen jongens en meisjes. Maar echt, de verschillen binnen de groep jongens en binnen de groep meisjes zijn groter dan de verschillen tussen die groepen (De Bruyckere & Hulshof, 2013).

Wat betreft segregatie. Bij Agora zitten zoals gezegd alle niveaus door elkaar. Van basisberoeps tot en met vwo. Daar zit de overtuiging achter dat kinderen van alle niveaus, rangen en standen elkaar moeten kunnen ontmoeten én van elkaar kunnen leren. Dat spreekt mij aan. Kansenongelijkheid is nogal een ding in het Nederlandse onderwijs en dit geeft kinderen alle kansen. Alhoewel, de Onderwijsraad is daar wat genuanceerder over:

Een zekere menging van niveaus werkt dus positief, maar te grote niveauverschillen in één groep werken minder goed. Bovendien blijken gemengd samengestelde groepen negatieve effecten te hebben voor de zeer getalenteerde, goed presterende leerlingen.

Ik vraag me bovendien af of de onderwijsmethode niet juist bijdraagt aan segregatie. Er wordt uitgegaan van de vragen van de leerlingen zelf. Welke leerlingen zullen daarvan het meest profiteren, de leerlingen die in een stimulerende omgeving opgroeien óf zij die uit een laaggeletterd achterstandsmilieu komen? (Als je twijfelt over het antwoord, lees vooral dit). Datzelfde geldt voor het betoog van Sjef tegen pta’s, eindexamens en andere vormen van standaardisatie. Het grote voordeel van die standaardisatie is nou juist dat ze het pygmalion effect tegengaat, waardoor kinderen met een verschillende afkomst toch gelijke kansen hebben.

Als ik dit na afloop aan Sjef voorleg, weet hij me enigszins gerust te stellen. Ze laten kinderen heus niet alleen maar vragen stellen, het is ook belangrijk om kinderen leren vragen te stellen en ze daarbij richting te geven. Aangezien dat zo’n beetje de kern is uit mijn eigen onderzoek, kan ik niet veel anders dan dat te onderschrijven. Maar toch.

Veranderen

Het doel zoals aan het begin van de bijeenkomst wordt geschetst (wat kunnen we leren over verandering in organisaties van het verhaal van Agora?) is eigenlijk maar mondjesmaat aan de orde geweest. Uiteindelijk distilleer ik twee belangrijke boodschappen. Allereerst is dat je als schoolleiding een helder kader moet schetsen en daarbinnen je medewerkers alle ruimte en vertrouwen moet geven. Ten tweede dat je nooit halfslachtige keuzes moet maken. Je gaat volledig voor je visie, of niet. Nou, daar kan ik wel wat mee!

 

Deze column is eerder op 3 maart 2017 gepubliceerd op martijnsytsma.blogspot.nl

Verder lezen

1 10 jaar Groen Lyceum

Een ogenblik geduld...
Click here to revoke the Cookie consent