Memoriseren is het proces waarbij leerlingen bewust proberen iets in hun hoofd te krijgen, zodat ze het later weer kunnen terughalen. Het gaat dan meestal om losse, duidelijke stukjes kennis: woordjes in een vreemde taal, jaartallen en namen, definities, formules, maar ook de antwoorden van de tafels zoals 7×8=56.
Bij memoriseren is er altijd sprake van bewuste aandacht. De leerling herhaalt, zegt hardop, schrijft over, maakt flitskaartjes, oefent met een quiz. Het doel is vrij simpel: ik wil dit onthouden en later moeiteloos kunnen terughalen zonder te hoeven nadenken. Die kennis komt terecht in het langetermijngeheugen om te gebruiken wanneer je het nodig hebt. Als het echt goed gememoriseerd is, kost dat nauwelijks tijd en werkgeheugenruimte; je geeft het antwoord (quasi) onmiddellijk. Goed memoriseren is zeer belangrijk, maar je kunt niet alles memoriseren!
Automatiseren gaat een stap verder. Een bepaalde procedure, routine of vaardigheid wordt zo vaak geoefend, dat die snel, relatief foutloos en bijna zonder nadenken uitgevoerd kan worden. Je weet niet wat 164×73 is maar kunt de som moeiteloos uitrekenen. Daarbij gebruik je dat je 4x3 hebt gememoriseerd, schrijf je 2 en onthoud je 1 (cijfer voor ‘overdracht’) enzovoorts. Het kenmerk van automatiseren is dat de vaardigheid of procedure bijna geen bewuste aandacht vraagt; je hoeft er niet over na te denken.
Je kunt memoriseren en automatiseren zien als opeenvolgende stappen in één leerproces. Eerst komt memoriseren: leerlingen leren de bouwstenen expliciet en bewust. Ze leren dat 7×8=56 of Parijs de hoofdstad van Frankrijk is. In deze fase zet je kennis letterlijk in het hoofd.
Vervolgens komt herhaald gebruiken in betekenisvolle contexten. Leerlingen maken niet één keer een rijtje sommen met 7×8, maar komen dat keersommetje steeds weer tegen in allerlei opgaven. Ze passen een spellingsregel toe in zinnen die ergens over gaan. Ze lezen niet alleen losse woorden, maar teksten die aansluiten bij hun interesses en niveau.
Door die herhaalde toepassing, verspreid over de tijd, treedt op den duur automatisering op. De leerling hoeft niet meer bewust de regel of het feit op te zoeken; de goede reactie komt bijna vanzelf. Het denkwerk verschuift dan van de basis naar het niveau erbóven: van ‘Wat is 7×8 ook alweer?’ naar ‘Welke bewerking past hier?’ of ‘Wat bedoelt de schrijver hiermee?’
Belangrijk is dat je vrijwel niets kunt automatiseren wat je niet eerst hebt gememoriseerd. In het onderwijs is memoriseren dus geen ouderwetse of overbodige activiteit, maar een noodzakelijke eerste stap richting automatisering.
Voor leraren heeft dit een paar praktische consequenties. Allereerst zijn er momenten waarop je heel bewust op memoriseren inzet. Denk bijvoorbeeld aan woordenschat (in alle vakken, niet alleen bij talen), kernbegrippen en definities, basisfeiten in rekenen, zoals de tafels of belangrijke formules of regels. Daarvoor gebruik je didactische strategieën als korte en frequente oefenmomenten; veelvuldig actief ophalen (vragen stellen, mini-toetsjes, flashcards) en gespreide herhaling.
Daarnaast zijn er momenten waarop je vooral mikt op automatiseren. Daar horen andere accenten bij: korte, dagelijkse oefenblokken; aandacht voor tempo (maar pas als het eerst goed is); en cumulatief oefenen waarbij oude stof steeds weer terugkomt. Feedback gaat hier niet alleen over óf het goed is, maar ook over hoe vlot en zeker het gaat.
Memoriseren en automatiseren zijn geen concurrerende ideeën, maar twee schakels in dezelfde keten. Heb je hun samenhang goed voor ogen, kan je beter plannen: wanneer vraag ik om nauwkeurig reproduceren, wanneer om vlot uitvoeren – en hoe zorg ik ervoor dat die twee elkaar versterken in plaats van in de weg zitten? Dat is precies waar doordachte instructie en slimme oefening het verschil maken.
Paul A. Kirschner is emeritus hoogleraar Onderwijspsychologie aan de Open Universiteit en gasthoogleraar aan de Thomas More Hogeschool (België).
En blijf op de hoogte van onderwijsnieuws en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen!
Inschrijven